Boek 3: Het Vijfde Testament

 

Dit is het boek dat alle andere overbodig had kunnen maken, want het is het ware en uiteindelijke verhaal van de Graal en van het koninklijke bloed van Arthur Pendragon, de koning die eens was en altijd zal blijven. Maar bovenal is het het boek van de meester van de Graal, van Myrddin Ambrosius, de Profeet van Brittannië, de Talyssin van de Cimry en de Meester van het Vuur.
Wij noemden hem Merlijn. Omdat hij dat zelf ook deed.

Over Myrddin Ambrosius werden vele verhalen verteld, waarvan sommigen ook echt gebeurd waren. Maar het is bijvoorbeeld nooit bewezen dat hij de zoon van de duivel was of dat hij de stenen van Stonehengus uit Ierland haalde om er de godencirkel mee te bouwen, zoals de barden zongen. Wel was ik erbij toen hij op zijn eentje een heel leger versloeg. Ik heb ik hem water in melk zien veranderen, een dol paard weten temmen en een zaal vol fanatieke mannen van mening horen veranderen. Hij kon dingen die wij als mirakels beschouwden. Alleen daarom was het normaal dat de Britten die de oude godsdienst trouw bleven, hem als de bode van Anu, onze Godin, beschouwden en als de verlosser die ons van de woestijn godsdiensten en de Saksen zou redden. Maar een ding is in elk geval zeker: als er iemand de wereld had kunnen veranderen dan was hij het wel. En ik moet toegeven dat hij aan verandering toe was, die wereld.
Misschien leeft u, lezer van dit geschrift, in een tijd dat mannen elkaar niet meer haten omdat de ander van een vreemd land komt, een onbekende taal spreekt, een andere kleur heeft of een onbekende god aanbidt, maar in mijn tijd stonden ze elkaar om al dat soort redenen wel naar het leven. En altijd waren ze ervan overtuigd het grote gelijk aan hun kant te hebben, altijd was hun god de enige ware en hun eigen volk beter dan de rest van de wereld.

Hoe moeilijk het ook is om het toe te geven, het is waar dat de christenen ons leven beïnvloed hebben. Voor zij kwamen en hun Bijbel meebrachten, geloofden wij Britten niet in het geschreven woord. Onze druïden vertrouwden slechts de waarheid die van vader op zoon en van moeder op dochter wordt overgeleverd. ‘Elke idioot die in de waan verkeert dat zijn pen door de goden wordt geleid,’ zei Merlijn, ‘kan onzin schrijven die een paar jaar later door andere idioten als waarheid zal aanzien worden,’ zei hij erover. ‘Het schrift is een leugen die sterker wordt door de tijd, omdat het steeds moeilijker wordt te bewijzen dat wat geschreven staat onwaar is.’

Maar toen de geschriften uit de woestijn onze wereld als een alles verwoestende golf overstroomden, al onze zekerheden met zich mee spoelden en onze wereld onderdompelden in een zee van mannendogma’s en vaderwetten, veranderde onze profeet van mening. Hij ontdekte dat het geschreven woord een machtig wapen is. En hij werd bezeten door de zoektocht naar de Graal. Want de Graal was volgens de oude overlevering een boek, een testament van de Moedergodin, een evangelie dat, volgens Merlijn, de tegenhanger zou worden van dat van de mannen goden uit de woestijn.

Lange tijd heb ik gedacht dat die Graal enkel in zijn verbeelding bestond. Dat ze het wrakhout was waaraan hij zich als een drenkeling in deze ondergaande wereld probeerde vast te houden. Vooral omdat hij zelf vaak genoeg toegaf aan alles te twijfelen.
Zoals zo vaak vergiste ik me.

(fragment)

Ik woon nu in het klooster van de Heilige Brigitta. Ze is een Keltische godin die de christenen zich eigen hebben gemaakt, zoals ze dat met bijna alles hebben gedaan. Het klooster zelf is een oud Romeins legerfort dat de nonnen hebben gekregen om mij een oord van rust en vrede te gunnen. De eerste jaren was ik hier nog vergezeld van enkele van mijn hofdames. Maar zij zijn allemaal aan de ziekte gestorven. Ook mijn dierbare Edana. Af en toen leg ik bloemen op haar graf en heb het dan met haar over de oude tijden. Maar dat deed ze vroeger ook zelden. En ik heb haar geest nooit durven oproepen, zoals we dat toen deden, uit schrik om de andere kloosterlingen of mezelf in gevaar te brengen. Nu ben ik nog alleen overgebleven en ik verontschuldig me er soms lachend over bij de nonnen, die meestal jonge meisjes zijn voor wie het verhaal van Arthur en Guinevère slechts een gerucht uit een ver verleden is. Ze knikken minzaam, maar ik weet dat sommigen erg verbaasd zijn dat hun God de Eva van Brittannië zo’n lang leven heeft gegund. Want de oudsten kennen wel vaag het verhaal van mijn overspelige liefde.

Sommigen gaan er vanuit dat de goden me al die tijd gegeven om over mijn zonden na te denken. Ik denk dat zij het bij het rechte eind hebben.

Mijn vertrekken zijn, met die van moeder overste, de beste van het hele gebouw. Ze bevinden zich in iets wat nog steeds op een villa lijkt en waarschijnlijk ooit was gebouwd om de Romeinse bevelhebbers die hier woonden alle mogelijke comfort te schenken zo ver weg van de moederstad. Maar dat comfort is nu bijna volledig verdwenen. Want de christenen geloven er niet in. Het lichaam moet leren om te lijden, zoals hun heer de timmermanszoon dat heeft gedaan. Hij heeft veel geleden en is zelfs, zo beweren ze, aan een kruis gestorven om ons van onze zonden te verlossen. En daarom beschouwt de religie uit de woestijn lijden als iets dat goed is. Wat wij heel vreemd vinden. Maar volgens hen maakt dat het de ziel gemakkelijker om later in de hemel terecht te komen. Ik hoop maar voor hun dat die hemel er ook echt is. Want veel plezier hebben de meesten niet tijdens hun leven.

Aan veel dingen is nog wel te merken dat het hier vroeger goed leven moet zijn geweest. Mijn kamer ligt aan het peristylium, de binnentuin, ooit een lusthof voor Romeinse gezagvoerders, waar nu de verpleegzuster tussen de oude sokkels van goden en godinnen in sobere bedjes haar kruiden verbouwd. De verwarmingsleiding, de baden en de riolering die de Romeinen aanlegden zijn helemaal vervallen en de meeste stenen van de ovens en de aquaduct zijn gebruikt om er de kapel en de kleine cellen in het soldatenkwartier mee te bouwen waar de gewone nonnen leven. De Romeinse schilderingen en mozaïeken werden losgehakt of overschilderd. Hier en daar komt het hoofd van Venus of Apolo door de schildering heen, weerbarstige getuigen van de jaren toen de mens zichzelf nog de meester van de schepping achtte. Er was een tijd, zo vertellen de ouden, dat de Romeinen onze vijanden waren en dat ze de druïden vermoorden uit angst voor hun toverkunsten. Maar dat is lang voorbij. De meeste van Britten hebben nu heimwee naar de oude jaren waarin Rome ons zijn vrede opdrong, de tijd van de tempels, de wegen en de rioleringen en er zijn er veel die nog steeds proberen te leven zoals de Romeinen ons dat ooit voordeden. Maar onze vijanden, de Angelen, de Saksen, de Friezen en de Jutten hebben veel stuk gemaakt, en de christenen hebben de stenen van de tempels en villa’s gebruikt om er hun kerken en kloosters mee te bouwen. Veel werk is er trouwens aan dit vrouwenklooster niet besteed. Dat komt omdat de monniken grotere plannen hebben. Vanuit mijn raam kan ik in de verte Tor zien, de trotse heuvel waarop ooit ons heiligdom stond. Toen was hij de thuishaven van de druïdes en het huis van de Talyssin van Brittannië. Nu zijn ze daar een nieuwe abdij aan het bouwen. Ze zal gewijd worden aan Sint Joris die de draak versloeg. En met die draak bedoelen ze onze trots, de draak van Brittannië. De christenheld is Joris, en wij Britten zijn de verslagen draak, de heidenen, de Walesmensen, wat in hun taal de vreemdelingen betekent. Want dat zijn we geworden: vreemdelingen in ons eigen land.

Het gezang van de monniken zweeft over van wat er nog van het meer is overgebleven en weegt zwaar op deze grijze ochtend. Zelfs nu, op het einde van die wrede maand april, die ons het idee geeft dat alles een tweede kans krijgt op jeugd, is de vallei met nevelen gevuld en lijkt het of van overal onze goden ons beloeren en meewarig naar de kruisbeelden van de dode woestijngod kijken en naar de weggeborgen zuster Guinevère, die ooit de prinses van Zomerland en koningin van alle Britten was. Maar het gezang van die broeders, die zonder enige toekomst en verleden leven, brengt me ook rust. De rust die ik zolang verloren was. Ach, we hebben uiteindelijk geleerd om met hen in vrede te leven en naar diezelfde vrede te streven. Nu ik hier zo zit te schrijven, en de mist en de vervlogen jaren me melancholisch maken, durf ik me af te vragen of dit alles Merlijns bedoeling was. Maar het is in elk geval de weg die de Graal, zijn Graal, ons gewezen heeft.

Vanavond is biechtvader Bonifatius me komen bezoeken. Dat doet hij steeds vaker. Bonifatius is een Scotty, een van de Ieren van het Groene Eiland die het licht hebben gezien en de zee overgestoken, om ons, arme Britten die in de duisternis leefden, de Blijde Boodschap te brengen. Hij heeft zich bekeerd tot de God van de Woestijn, en gelooft heilig dat die joodse timmermanszoon door op een Romeins kruis te sterven ons van onze zonden heeft bevrijd. Al heeft hij enig voorbehoud als het over die van mij gaat. Tenslotte heb ik mijn land ten val gebracht. Toch houdt hij niet op met zijn pogingen om mij van de waarheden die uit de woestijn zijn gekomen te overtuigen. Zijn vasthoudendheid is zelfs aandoenlijk. Soms heb ik wel de indruk dat hij met zijn fanatieke gepreek vooral zichzelf probeert te overtuigen. Maar ik moet eerlijk zijn: hij is ook een goede en dankbare luisteraar. Hij hoort me graag over vroeger vertellen, over Lancelot, Lionel, Gareth en Arthur. Op een jongensachtige manier vraagt hij me uit over hun heldendaden en veldslagen. Maar hij is pas echt geïnteresseerd als ik over Merlijn en de Graal begin. Want hij wil mijn versie horen. Zo noemt hij het: jouw versie. Alsof er twee zijn en alsof die van hem even dicht bij de waarheid aanleunt. De christenen hebben zich onze verhalen toegeëigend zoals ze dat met onze onbevlekte maagd, onze feesten, de kerstbomen en gekleurde eieren, en nog zoveel andere dingen hebben gedaan. Er is een tijd geweest dat ik me daarover ergerde en dat ik elke dag wraakzuchtig bad tot de Moedergodin, in de hoop dat zij hen voor hun laaghartige dieverij zou straffen. Maar daar ben ik, nu dat ik elke dag die me nog gegund is toelach als een geschenk van de goden, te oud voor geworden. De tijd is over me heen gegleden als een stroom die alle scherpe kanten van de steen heeft afgesleten en ik heb enkel triest geglimlacht. Ach, ik heb hun versie gehoord. Zonder enige schroom hebben die geslepen vissers van zielen ook Arthur, Lancelot en zelfs de tovenaar en druïde Merlijn in hun verhaal betrokken, een rare geschiedenis over een soort beker die de degene zou zijn waarin het bloed van de timmerman zou zijn opgevangen. Ze misbruiken de namen van onze helden omdat ze weten dat ze ontzag afdwingen bij de Britten. En zo is er een christelijk verhaal ontstaan waarin Merlijn, de antichrist, de druïde en de tovenaar, een van de helden is. En geen christene die zich daar vragen over stelt of er zich zelf maar aan stoort. Ik denk niet dat er iets is dat de woestijnreligie ooit een halt zal kunnen toeroepen.

Toen de regen dreigde, is Bonifatius weer weg gegaan, nadat hij me op het voorhoofd zoende en zegende.

In nomine Patris,
et fillii et Spiritu Sancti.

Hij is zo vervuld van de Heilige Boodschap dat hij er vanuit gaat dat ik in mijn hart een christen ben, dat we dat allemaal zijn. Kinderen van de god van de woestijn die zijn zoon heeft gezonden om de heidenen te verjagen en de vrouwen op hun plaats te zetten. En misschien heeft hij gelijk, misschien hebben we allemaal de Moeder opgegeven.

Ik bleef door het raam kijken en zag hoe mijn heilige biechtvader zich repte om de regen voor te blijven en daar niet in slaagde. Halfweg begon het uit de hemel te stromen en werden zijn priesterkleren een steeds zwaardere last om te dragen. Ik herinner me hoe Merlijn ooit zei: ‘Het is niet dat de God van Israël de zijnen spaart. Het lijkt wel alsof hij ze wil straffen voor hun vreemde overtuiging dat hij, de wreedaardige, de enige en echte God is. Het is een moeilijke God om in te geloven,’ voegde hij eraan toe, ‘enkel en alleen daarom moet je al respect voor de christenen hebben.’