De Wijnmaker

 

De Wijnmaker is een in wervelende stijl geschreven fin de Siècle roman, die door het hart snijdt van iedereen die een vader heeft of er een verloor. Het is een emotioneel boek over verlies en wanhoop, maar de ondertoon is relativerend en humoristisch: een mengeling van sentimentele nostalgie en bijtend cynisme.

Je zou het verdrietig en zelfs diepzinnig kunnen noemen als het niet zo ongelofelijk grappig was. Getuige daarvan uitspraken als: 'Leven leert je uiteindelijk niets, behalve dat je er oud van wordt en nog verduiveld snel ook.'

 

(fragment)

Altijd heb ik de pech gehad dat ik me gemakkelijk in andermans problemen kon inleven, of tenminste die indruk gaf, en de merkwaardigste figuren voelden zich op de een of ander manier geroepen mij in hun verborgen zielenleven binnen te loodsen. Ik ken geheimen die relaties hadden kunnen breken, priesters ontwijden en kinderen onterven. Op mijn tiende vertrouwde mijn moeder mij bijvoorbeeld haar geheime passie voor mannen met ruige baarden toe en ik probeerde pa ervan te overtuigen zich niet meer te scheren. Mijnheer Simons, die twee huizen verderop woonde en een Congovaarder was, had zo’n baard. Ik vertrouwde hem niet. Hij had ook een enorme snor, hield zijn haar kort getrimd en betoverde iedereen met zijn overdreven smeuïge Congoverhalen. Ze noemden hem ‘de regenkoning”. Hij rookte pijp, bracht ivoren beeldjes en bananen voor ons mee en vertelde schuine grappen over paters en negerinnen, waar alleen ma om kon lachen. Als hij in de buurt was, veranderde ze. Dan liep ze vaak voorbij de spiegel en keek zenuwachtig of haar permanent goed lag. Ze smeerde een extra laagje lippenstift op, wat ze anders alleen voor zaterdagavondfeestjes en de hoogmis deed. Ik was natuurlijk de enige die het gevaar doorhad. Soms ontsnapte ma langs het tuinpoortje en bleef uren weg. Dan volgde ik haar als een privédetective. Ik stelde me dan voor dat pa me die opdracht had gegeven en dat Simons een Russische spion was. Zijn enorme huis met de afgesleten zandstenen, die een kleur hadden alsof ze te lang in de tropenzon hadden gelegen, en de kleine, met bamboe betraliede ramen boezemde ons allemaal angst en ontzag in. Het was een rovershol, een moeilijk in te nemen spionnenschuiloord. Overal hingen geweren, speren, geschilderde jacht-taferelen en vergeelde portretten van dode leeuwen en olifanten met op de achtergrond verlegen grijnzende negertjes en een triomfantelijke blanke jager die zelfs het stamhoofd zou neerknallen en opzetten om ermee op de foto te staan. Vooral die grijnslach van hem. De gepolijste witte tanden als opgeblonken ivoor in dat bruine, verteerde gezicht en de verbleekte, zandkleurige, en dus bij zijn huis passende baard, de baard die mijn moeder op het slechte pad bracht. En pa, die naïeve gek, bleef zich nauwkeurig scheren alsof het er allemaal niets toe deed. Wanhopig geworden van zoveel kortzichtigheid nam ik zelf het initiatief en gooide zijn volledige scheerset in de vuilnisbak. Ik werd betrapt en onbarmhartig gestraft. Achter de reden van mijn idiote actie zijn ze nooit gekomen. Zelfs mijn moeder niet. En ik heb er nooit naar gevraagd waarom ze Simons ‘de regenkoning’ noemden.

Dat biechtvaderlijke dat mensen op de een of andere manier in me schenen te herkennen, heeft me alleen maar ellende gebracht. Neem nu dat gedoe met Harry. Ik was zijn vriend, zei hij steeds, met mij kon hij praten. En dat heb ik geweten ook.

Ik zou het nooit over Harry hebben gehad als hij niet de oorzaak van al mijn misère was geweest. Het was niet omdat ik hem niet mocht. Hij was iemand met veel geld zoals je ze vaker ontmoet als je in de foute kringen verkeert. Niet direct de figuur om een boek over te schrijven. Hij kon aardig schaken, wat je misschien niet direct van zo iemand zou verwachten, en las daar ingewikkelde boeken over. Combinatiespel voor gevorderden. Je moest dan je koningin offeren en vervolgens je toren en tien zetten later stond je tegenstander mat. Hij heeft het me eens proberen uit te leggen. Ook met tennis kon ik nooit van hem winnen. Hij volgde een close-combatcursus, om in conditie te blijven, maar vooral om zijn agressie kwijt te kunnen. Op een keer werd hij door een groepje cursusgenoten opgewacht en in elkaar geramd en toen stopte hij ermee en ook met tennis, en het ging fysiek bergaf met hem. Toen ik hem ontmoette, was hij net van een zware operatie hersteld. Ze hadden wat stenen uit zijn nieren gehaald, als ik het me goed herinner. Hij was bleek en mager en heel gespannen. Er werd veel over hem verteld, vooral in verband met dat vele geld van hem. Zijn moeder zat in een psychiatrische inrichting voor zware gevallen. Hij had het nooit over haar. En dan was er zijn zus, die vrachtwagens schilderde, met olie op doek, bedoel ik, en die op een spectaculaire manier zelfmoord pleegde door zich met ezel en al van een viaduct op de autosnelweg te storten. De hele dag had het verkeer rond Brussel lam gelegen, zoals met de begrafenis van koning Boudewijn. Op haar laatste doek had ze bij wijze van testament geschilderd: ‘Tarra t groot, netto te klein’. Het was een aardig afscheid, maar het maakte wel dat Harry de hele boel alleen erfde. Daar was nogal wat om te doen geweest. Rechtszaken en zo, en verre ooms die hun deel kwamen opeisen. Van eentje, een vaag aangetrouwde achterneef, deed het verhaal de ronde dat hij de kluis had gekaakt om aan het gelden een patent te geraken Ze hebben hem ingerekend op de wc van de garage met zijn buit: een bundel openstaande facturen en een kapotte autoradio van een goed merk.

Enfin, het verhaal deed de ronde dat de hele familie van lotje getikt was. Te veel geld in te korte tijd verdiend. Het was een fabriekje waar auto-onderdelen gefabriceerd werden en toen vond iemand in die veredelde garage een milieu-vriendelijke uitlaat uit. Daar deden ze plots heel druk over. Harry had het constant over het milieu en over vervuiling en de toekomst van onze groene planeet en andere dingen die hemvoeger, toen ze hem nog geen geld opbrachten geen ene moer interesseerden. Je hoeft niet geniaal te zijn om rijk te worden, zie iemand, en Harry was het bewijs van die stelling. Hij werd op de koop toe ziekelijk paranoïde, veranderde elke dag of daaromtrent van telefoonnummer, hoewel ik nooit iemand ontmoet heb die de behoefte voelde om Harry te bellen. Hij nam me mee naar zijn fabriek en liet me het nut van zijn uitlaten zien. Ze hielden ratten of hamsters in de garage en dan lieten ze de motoren draaien en dan gingen die dieren niet doen dankzij de milieuvriendelijke uitlaten van Harry. Allemaal heel indrukwekkend. Ik weet wel dat er mensen zijn die dit heel knap zullen vinden en die aan de volgende generaties denken, maar ik had het al niet zo hoog op met de omstandigheden waarin deze generatie moest leven en vond er dan ook niet zoveel aan.

In die tijd trok ik veel met Harry op. Ik denk dat hem zelfs een fidele kerel vond, vooral dan in vergelijking met die zogenaamde vrienden van me, dat stelletje uitvreters, die zichzelf kunstenaars noemden en om dat te bewijzen geen rooie cent verdienden en dan ’s morgen op de stoep werden gelegd. Harry leende je geld als je er weer eens slecht voor stond, en vergat het terug te vragen. Hij was ook niet te beroerd om die Mercedes van hem aan je uit te lenen, die vliegdekwagen, als je een afspraakje had versierd. Je moest hem alleen vertellen hoe het was geweest. Tot in de kleinste details. Daar hield hij van. Hij zeurde er niet over als je zijn tank had leeggereden, wat verrassend snel gebeurt als je met zo’n kast tegen honderdzeventig naar zee scheurt. Ik denk niet dat ik ooit iemand heb gekend die daar zo gemakkelijk over deed als hij. Iemand met geld bedoel ik. Arme stumpers, zoals die artistieke vrienden van me, doen over alles heel gemakkelijk. Vooral over mijn geld. Daar doen ze verbazend gemakkelijk over.

De Wijnmaker, Uitgegeven bij De Arbeiderspers
Publicatiedatum 1997
ISBN 90 295 2182-1/NUGI 300