Schadeclaims op historische gronden

Schadeclaims op historische gronden. Ze worden al langer hoe gekker. Of misschien is dat maar een idee, misschien moeten we ze maar allemaal even consequent afhandelen.

Philip Dewinter, de voorman van het Vlaams Belang, deed op zijn gekende manier wel erg antiek stof opwaaien door schilderijen terug te eisen die volgens hem meer dan tweehonderd jaar geleden door de Franse sansculotten (en niet door Napoleon) uit zijn zo geliefde Vlaanderen waren geroofd en omschreef de Afrikaanse kunst die wij in ruil zouden moeten teruggeven, op zijn al even gekende weldoordachte wijze, als onvergelijkbare brol. De heer Dewinter leek over een en ander niet goed geïnformeerd, maar het gaat over het principe geef terug wat van ons is. Maar wat is ‘van ons?’. Wat zijn die schadeclaims op historische gronden waar de internationale rechtspraak het zo moeilijk mee heeft?

Dat de afstammelingen van de Amerikaanse slaven die uit Afrika werden gedeporteerd een schadevergoeding eisen, daar kan ik me nog wat bij voorstellen. Maar welke rechter gaat oordelen over de psychologische schade die die mensen is toegebracht? En hoe dat in harde cijfers moet worden omgezet? Hoe zit het dan met de Aboriginals in Australië. Als die mensen geen recht van spreken hebben! Pas in de jaren zestig van vorige eeuw werd een wet van kracht die de Europese inwijkelingen verbood om nog op autochtonen te schieten.

En wat bijvoorbeeld als de indianen in Amerika hun grond zouden terugeisen – behalve New York dan, want daar hebben de Hollanders heel eerlijk vierentwintig florijnen aan kralen en spiegeltjes voor betaald.

Een nog sterker voorbeeld zijn natuurlijk de Zionisten die een land opeisen dat hun een paar duizend jaar geleden in oude geschriften is toegezegd. Hun God zou dat ten stelligste aan Mozes hebben beloofd, beweren die mensen heel ernstig. Het probleem is nu dat die Mozes er geen duidelijk plan heeft bijgevoegd van wat de grenzen van zijn beloofde land nu precies zijn. Daardoor lijkt dat gekrakeel nooit op te zullen houden.

Maar ik, als iemand die historische boekjes over de tijd van grote Europese volksverhuizing schrijf, zit natuurlijk met een veel grotere angst. Want wat als de Kelten uit Bretagne, Wales en Ierland hun rechtmatig land gaan opeisen? Historisch gezien zijn wij West-Europeanen slechts inwijkelingen en van origine allemaal, nu ja, vergeef de uitdrukking, moffen. Zowel Franken als Angelen als Saksen zijn Germaanse volksstammen die tijdens de grote volksverhuizingen van de vijfde en zesde eeuw het land van de Kelten hebben ingepikt. Dat is dus nog maar vijftienhonderd jaar geleden. Dat staat niet in een boek van een betwistbare auteur, maar is een historisch gegeven. Stel dat de Kelten met Amerikaanse steun, dat land gaan terugeisen. Als de wereldrechters consequent zijn, kunnen we het wel vergeten en zullen we terug naar Duitsland moeten. Ik heb me voor alle zekerheid een boekje Keltisch voor beginners aangeschaft en misschien laat ik mijn haar wel rood kleuren. Ik ga mijn zoon niet in het Duits opvoeden.

Waar ze haaien en vrouwen vangen met de blote hand

De Florida Keys trekken steeds meer bezoekers. Het moeras- en koraaleilandenrijkje heeft nog altijd iets avontuurlijks en ongebreidelds maar in Key West, het kosmopolitische eindpuntje van Amerika, is het souvenirgehalte inmiddels zeer hoog. De schaduw van Ernest Hemingway heeft daar zeker iets mee te maken. Zijn huis is nu een museum.

Een aanhangsel, om niet te zeggen een angel; meer is het niet, het snoer van 43 eilandjes en evenveel bruggen in het uiterste zuidoosten van de Verenigde Staten. We kennen het als de Florida Keys, met Key West als ongekroonde hoofdstad en eindpunt. De benaming Key komt van het Spaanse 'caya' (eiland) en stuk voor stuk dragen de drijvende lapjes grond tot de verbeelding sprekende namen als Key Largo, Islamorada of Vaca Key. Key Largo is het meest noordelijke van het stel en in Key West eindigt de keten. Hier is het nog maar 140 kilometer in vogelvlucht naar Cuba. Geen wonder dus dat op de Keys, net als in Miami trouwens, de Spaanse invloed sterk is.

Lang voordat de Amerikanen in dit gebied iets te zeggen hadden, waren de Spanjaarden er heer en meester. Toen was dit puntje van Amerika een belangrijke goudhaven waar evenveel schepen vergingen door stormen en orkanen, als ze er veilig aanmeerden. Het rijke verleden is te zien in het Fisher's Museum in Key West. Een verplicht nummertje.

Tegenwoordig moet Key West het vooral van het toerisme hebben. Op piekdagen telt men meer dan 5500 bezoekers, waarvan 4000 cruisepassagiers. Key West telt amper 25.000 inwoners maar de toeristische dienst verwacht dit jaar minstens 750.000 bezoekers. De grote stimulans daartoe is gegeven door Henry Flagler, spoorwegmagnaat en oliebaron, die eind vorige eeuw een spoorlijn aanlegde vanuit New York naar Miami en begreep - Flagler was een manager avant la lettre - dat een spoorlijn alleen niet voldoende was om New Yorkers te bewegen een kijkje te gaan nemen in het zuiden. Om bezoekers te trekken diende je ook over voldoende hotelaccomodatie te beschikken, dus bouwde hij onderweg in één moeite door een serie luxehotels. Maar de plannen om met de spoorlijn tot aan Key West te gaan, liepen slecht af. Eerst gooide een orkaan (1926) roet in het eten, daarna sloeg in 1929 de grote economische crisis toe. Volop tegenslag dus met in 1935 de genadeslag, toen opnieuw een orkaan alles vernielde wat reeds opgezet was.

Resultaat: de Keys hebben nooit een spoorlijn gekregen, maar het deels in gereedheid gebrachte tracé bleek zeer wel bruikbaar voor de aanleg van een adembenemende snelweg, Highway 1, die steevast tot de mooiste autoroutes ter wereld wordt gerekend. Net dat maakt Key West zo aantrekkelijk: de rit alleen al is een ervaring op zich. De 350 kilometer tussen Miami en Key West is een brugavontuur van vier uur met de Seven Mile Bridge (letterlijk te nemen) als hoogtepunt. In Key West leven artiesten, gepensioneerden, toeristen en immigranten met en door elkaar in een harmonie die past bij een kleine, geïsoleerde gemeenschap. Misschien is het gezegende subtropisch klimaat de sociale drug. Hoe dan ook, het zijn deze omstandigheden geweest die heel wat bekende persoonlijkheden hebben aangetrokken. Zij hebben dan weer op hun beurt hun stempel op Key West gedrukt.

De beroemdste gast van de Keys is ongetwijfeld de schrijver Ernest Hemingway, wiens huis te bezichtigen is en ook vandaag nog het beste reclamebord van dit eilandje is. Ook Sloppy Joe, het favoriete café van Hemingway, deelt in de grote populariteit. Maar verwacht niet te veel. Het is meer een shop met overbodige prullen dan the place to be.

Tussen 1931 en 1941 woonde Ernest Miller Hemingway op nummer 907, Whitehead Street, Key West. Het huis is nu wereldberoemd en van alle delen van de wereld komen literatuurliefhebbers en aspirant-schrijvers op bedevaart hier naar toe. Maar het huis is ook vanuit architecturaal oogpunt bijzonder interessant.

Het was Hemingways derde vrouw Pauline die het huis voor 20.000 dollar kocht en het meteen aan haar smaak begon aan te passen. Ze had een steenrijke suikeroom, uncle Gus, die de folietjes van zijn nichtje met plezier sponsorde. Pauline was een correspondente van Vogue en had daar haar trendgevoeligheid aan te danken. Zo liet ze bijvoorbeeld de ventilatoren die Hemingway overal had opgehangen, vervangen door kristallen luchters die 's avonds prachtig licht maar, tot ergernis van Ernest, overdag geen verkoeling brachten. Hij sloot zich dan ook vaak op in zijn schrijfkamer boven de stal, waar hij de vruchtbaarste periode van zijn schrijverscarrière beleefde. Hij schreef er onder meer A Farewell to Arms, For whom the bell tolls en het grootste deel van de Afrikaanse verhalen.

Het Hemingwayhuis, dat al in 1964, drie jaar na zijn dood, een officieel monument werd, is een van de belangrijkste voorbeelden van de koloniale bouwstijl op de Keys. Het werd in het midden van de negentiende eeuw gebouwd door Asa Tift, een handelaar met een bedenkelijke reputatie. Tift was een strandjutter, maar geen onbemiddeld man, want er viel in die tijd het een en ander te rapen op de kusten van de Keys. Het huis is gebouwd in koraalsteen, een keihard, moeilijk te behandelen maar uiterst duurzaam bouwmateriaal dat ter plaatse gewonnen werd. Het ligt op een heuvel en heeft de enige droge kelder van de streek. Hemingway gebruikte die om wijn in te bewaren. Al is dat laatste woord fel overdreven. Als het schrijven niet wilde vlotten, dook hij nogal eens met zijn vrienden de kelder in, en volgens de verhalen kwamen ze niet boven voordat de laatste fles soldaat was gemaakt. Pauline bouwde met hulp van uncle Gus de eerste badkamer met stromend water op de Keys. Ze gebruikte de bovenste kamer als waterreservoir en via een ingenieuze installatie met ingebouwde filters kon je in de koloniale badkamer luxueus baden. Volgens zijn vrienden had Hemingway het plan eerst bespottelijk gevonden maar pochte hij later, toen het af was en wonderwel bleek te werken, dat het eigenlijk zijn idee was.

Mooi is ook het verhaal rond het zwembad. Pauline had het uit die keiharde rotsgrond laten graven als verrassing voor Ernest. Het kostte dan ook handenvol geld, dat ze deze keer uit hun eigen spaarpot had gehaald. Aan de rand van het bassin is een cent ingemetseld. Een grapje van Hemingway. Hij moet die daar in de nog natte specie hebben gegooid, met de woorden: 'Neem mijn laatste cent dan ook maar.'

Maar zijn belangrijkste inbreng in de architectuur van het huis is een urinoir dat hij persoonlijk uit Sloppy Joe's had gejat en nu door zijn al even legendarische katten als drinkbak wordt gebruikt. Schrijvers zijn zelden handige doe-het-zelvers, laat staan architecten.

Luc Huybrechts / Gerrit Op de Beeck (6 mei 2000)

Vertelsels over Ernest Hemingways privé-oorlogje tegen de Duitsers

De Schurkenfabriek. Hemingway en het FBI in Cuba

Het is tegenwoordig nogal in. Je neemt wat gegevens uit iemands leven - dat kan je eigen man zijn - je romantiseert die en schrijft een docudrama, een op feiten gebaseerd verhaal. Of dat verhaal op zich nog wat met de werkelijkheid heeft te maken, is zeer de vraag. Al wordt het door de lezer gewoonlijk wel zo geslikt. Het is een nieuw soort voyeurisme. Je kijkt even mee achter de schermen. En de doden zijn wat dat betreft gemakkelijke slachtoffers. Ze spreken je zelden tegen.

Rond de eeuwwisseling zat ik, ter afsluiting van het Hemingway-jaar, in Key West, Florida. Voor een paar daiquiri's word je aan de bar van Sloppy Joe's in contact gebracht met jongens die Papa nog gekend zouden hebben. En een paar cocktails later krijg je genoeg verhalen te horen om tien boeken te vullen. Zo vertelt captain Tony dat Hemingway nogal verbolgen was omdat zijn tweede vrouw zonder zijn medeweten een zwembad had laten bouwen. Het ding zou ontzaglijk veel geld hebben gekost. Uit woede zou Papa zijn vrouw in het nog niet gevulde zwembad hebben gegooid. Pauline brak bij die val haar pols, verzekert Tony mij. En het voltallige huispersoneel - waarvan niemand meer in leven is - was er getuige van. Maar volgens Hemingway-specialist John Webb bestaat er geen enkel medisch dossier om die bewering te staven. Een braniefiguur als Hemingway vroeg natuurlijk om cowboyverhalen, vertrouwt hij me toe.

Uit dat soort vertelsels is De Schurkenfabriek. Hemingway en het FBI in Cuba van Stan Lauryssens samengesteld. Dat Ernest Hemingway een labiel karakter had, is genoegzaam bekend. "Hij leeft in een jongensdroom," zou Pauline ooit over hem zeggen. "Hij zit constant met de angst dat de gebeurtenissen aan hem voorbij zullen gaan. En hij probeert het avontuur te forceren, zoals jongens die indianenkampen bouwen." Pathetisch is de anekdote dat hij niet mee mocht vechten in de oorlog en als ambulancier gewond raakte, en vooral ook het verhaal over zijn laatste Afrika-reis, toen hij er niet meer in slaagde een dier te schieten en zich dan maar liet fotograferen met andermans trofeeën. Maar in Key West en op Cuba maakt men zich vooral vrolijk over Pops privé-oorlogje: Hemingway die tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn eigen schip, de Pilar, Duitse boten zou gaan opsporen. "Gelukkig heeft hij er nooit een gevonden," vertelt Joe grinnikend. "Hij was in staat om ze met zijn harpoen te lijf te gaan!"

Over die periode gaat De Schurkenfabriek. Een verhaal zit er niet echt in. Het is een vreemde lappendeken van biografische fragmenten, vertrouwelijke (?) FBI-dossiers en Hemingway-achtige natuurbeschrijvingen, die overigens af en toe wel aardig geslaagd zijn. Nogal cartoonesk wordt Hemingway opgevoerd als vrijwillige FBI- spion. Lauryssens beschrijft hoe Papa in september 1942 begon te werken voor de Amerikaanse ambassade in Havana. Vanuit zijn Cubaanse finca zou hij op eigen kosten een heel netwerk met spionnen zijn gaan uitbouwen. Die organisatie werd de Schurkenfabriek genoemd. Feit is dat de Duitse duikboten in het begin van de oorlog vrij spel hadden in de Golf, die Hemingway en zijn vissersvrienden zo'n beetje als hun territorium beschouwden. Dat Hemingway op zijn bekende Huckleberry Finn-manier daar ook wat aan wilde gaan doen, beschrijven al zijn biografen. Lauryssens spit dit schijnbare bagatelletje wel erg diep uit. De vrolijke visser, met zijn overdreven zin voor avontuur en dronkenmansverhalen, bezorgt, aldus Lauryssens, de Amerikaanse inlichtingendienst heel wat kopzorgen. In een FBI-memorandum aan Edgar Hoover staat: "Hemingway wordt meer dan enkel maar een informant; hij is ermee bezig een eigen spionageorganisatie op te zetten die buiten elke controle valt (...) De organisatie die door Hemingway wordt geleid staat erom bekend dat zij onbetrouwbaar en ongeloofwaardig is."

In het tweede deel van het boek wordt beschreven hoe Hemingway op kosten van de staat zijn Pilar als een soort spionageschip mag ombouwen en hoe ook die opdracht met een sisser afloopt. Om het verhaal een commercieel tintje te geven weeft Lauryssens er wat liefdesperikelen doorheen. Dat de relatie tussen Hemingway en zijn derde vrouw, Martha, nogal stormachtig was, is te lezen in elke biografie. En onder het mom van docudrama kun je, zoals bekend, zo'n verhaal extra smeuïg maken. Een dronken Papa zou Martha zelfs in het gezicht hebben geslagen. Het zal allemaal wel.

En toch is het boek onderhoudend. Al was het maar omdat Lauryssens Hemingway heeft gelezen. Hij heeft diens stijl bestudeerd, probeert hem te kopiëren en slaagt daar heel af en toe ook in. Het aangename is dat Lauryssens dat vrolijke plagiaat ook ruiterlijk toegeeft. Dit in tegenstelling met nogal wat Vlaamse collega's. Als voorbeeld deze dialoog: "Wordt er niet gevist vandaag?" "Nee. Als de wind uit het noorden blaast is de Golfstroom te woest om te vissen. Ben aan het werk. Schrijven." "Ha. Schrijven. Noem je dat werken? Hoeveel word je daarvoor betaald?" "Oh, dat schommelt. Soms een dollar per woord. Soms vijfenzeventig cent. Af en toe kan je twee dollar per uur krijgen." "Is het moeilijk?" "Het is niet gemakkelijk." "Ik wist niet dat schrijven zo interessant kon zijn." Het zou zo een gesprek tussen Jake Barnes en Bill uit Fiësta kunnen zijn, of tussen de grote witte jager en een bewonderaar. Het detail over de noorderwind bijvoorbeeld is zo Hemingwayaans als een daiquiri met dubbele portie rum.

García Márquez noemde Hemingway de meester van de beheersing, en dat is Stan Lauryssens jammer genoeg niet. Door Hemingways stijl te overdrijven maakt hij er een niet altijd even geslaagde persiflage van. Heel link - en dat is een woord dat in verband met Lauryssens niet helemaal ondoordacht is gebruikt - begint de schrijver met een citaat van Hemingway zelf, dat meteen ook op zijn boek zou kunnen slaan: "Indien de lezer wenst mag dit boek worden beschouwd als fictie. Maar de kans bestaat dat een fictieboek een licht werpt op datgene wat als non-fictie wordt geschreven." Ja ja, zo ken ik er nog wel een paar. Als je die docudrama's leest, zou je bang worden om dood te gaan. Ik hoop maar dat Lauryssens dan geen boek over mij gaat schrijven. Mijn ex-vrouw ook niet, trouwens.

De doden zijn gemakkelijke slachtoffers van het nieuwe voyeurisme. Ze spreken je zelden tegen.

Luc Huybrechts (1 maart 2000)

De Schurkenfabriek. Hemingway en het FBI in Cuba, door Stan Lauryssens
Van Halewyck, Leuven, 251 p., 798 frank.

D.H. Lawrence: 'Dit wordt een klassieker'

Na het lezen van Manhattan Transfer (1925) schreef D.H. Lawrence aan zijn uitgever: "Het is het beste boek over New York dat ik ooit heb gelezen. Volgens mij wordt het een klassieker." Jean-Paul Sartre deed er nog een schepje bovenop en verklaarde Dos Passos als de grootste schrijver van zijn tijd te beschouwen. En Sinclair Lewis, zelf een van de groten van de Roaring Twenties, noemde hem in één adem met Fitzgerald en Hemingway.

Hemingway zelf liet zich veel minder enthousiast over de schrijverij van Dos Passos uit: "Het is sensatiezucht, zoals alles wat met die man te maken heeft." En Edmund Wilson, destijds de belangrijkste recensent van New York, oordeelde: "Eerst dacht je (...) dat hij een fanatieke idealist was, maar je kwam al snel tot de conclusie dat hij alleen maar probeerde te choqueren. Dos Passos is een politieke windhaan en een opportunist. Je kunt zo iemand als kunstenaar niet ernstig nemen."

John Roderigo Dos Passos (1896-1970), even vaak verguisd als bejubeld, was op zijn minst een excentrieke figuur. In zijn jeugd was hij radicaal links. Hij sloot zich aan bij de communistische partij en vocht mee in de Spaanse burgeroorlog. Maar naarmate hij ouder werd, keerde hij al zijn vroegere vrienden en ideeën de rug toe. Tijdens zijn laatste levensjaren noemde hij zichzelf een reactionair. Wat niet overdreven was. "Reactionairen zijn op zich vervelend genoeg," was Joseph Epsteins commentaar op een van Dos Passos' politieke pamfletten, "maar als het genieën betreft, wordt het gevaarlijk."

Was John Dos Passos een genie? En zo ja, waarom kreeg hij dan nooit een Nobel- of Pulitzerprijs? Pablo Picasso, om maar eens iemand te noemen, rekende hem niet alleen als schrijver maar ook als schilder tot een van de groten van zijn tijd. Zelf verklaarde hij met flink wat zelfkritiek dat "het in elk geval niet gemakkelijk was om met zoveel innerlijke strijd aan uiterlijke aanstellerij als kunst te doen". Daar is hij niettemin over de hele linie in geslaagd. Met Manhattan Transfer schreef hij een van de meesterwerken van de eeuw.

De collagetechniek van het boek is duizendmaal geïmiteerd maar nooit verbeterd. De uitgever verwijst wat beïnvloeding betreft naar Louis Paul Boon. Maar wat te zeggen van het vorig jaar vertaalde Underworld van Don DeLillo, dat zich ook in ons taalgebied in een enorme belangstelling mocht verheugen? In geen enkele Nederlandstalige recensie die ik heb gelezen werd de vergelijking met Manhattan Transfer gemaakt, terwijl de gelijkenis toch opvallend is. Maar hoe bekaaid komt DeLillo eraf, hoe oppervlakkig en clichématig zijn zijn taal en de ontwikkeling van zijn personages in vergelijking met die van Dos Passos.

Omdat Manhattan en de omliggende havenwijk de hoofdfiguren zijn, is het niet eenvoudig een korte inhoud van het boek te geven. De overige personages zijn figuranten wier handelen bepaald wordt door de grillen van de stad. Briljant en verbazend actueel is ook het verhaal van advocaat George Baldwin, die zelf op zoek gaat naar lucratieve zaakjes.

De bijna veertig personages beleven elk hun eigen geschiedenis, die wordt opgezogen door de leegte van de grootstad. Al die verhalen staan ogenschijnlijk volledig op zichzelf, maar worden zo fijnzinnig met elkaar verweven dat Dos Passos op een wonderlijke manier tot een coherent geheel komt. Het boek beschrijft het wel en wee - met de nadruk op het wee - van de immigranten in het land van de onbegrensde mogelijkheden. Ik geef voor de vuist weg een paar citaten die het grimmige cynisme en de politieke bewogenheid illustreren:

"Maar ik ben niet joods meer," laat hij een verontwaardigde vrouw door de straten van Brooklyn roepen. "We zijn hier niet in Rusland; dit is New York hier. Vrouwen hebben hier ook rechten." Of twee Italianen die hun geloof afzweren met de woorden: "God staat aan hun kant (de rijken, LH). Als de dag aanbreekt (van de revolutie tegen het Amerikaanse model van kapitalisme die Dos Passos toen al predikte, LH) staan we op en maken we God af." En even verder: "Macht is niet echt. Het is een illusie (...). De dag dat we ophouden in geld en eigendom te geloven zal het net een droom zijn als wij ontwaken. (...) Iedereen moet rondgaan en tegen de mensen zeggen: ontwaakt." Typisch is ook de ironie waarmee hij de Italiaanse gelukzoeker Congo (zo genoemd vanwege zijn donkere huidskleur), die ieder geloof in de Amerikaanse droom kwijt is, laat zeggen: "Ik ga verdomme naar Senegal en word nikker."

"Tegen de mensen zeggen: ontwaakt" - die taak nam Dos Passos ter harte. Manhattan Transfer is als een symfonie van Beethoven: meeslepend, soms te opdringerig, maar altijd diep menselijk.

De vertaling is nogal schraal. Dos Passos geeft ieder van de immigranten hun eigen variant van het Engels en schept zo een totaal nieuwe taal. Guido Golüke heeft die in een beetje verfomfaaid Amsterdams omgezet. Zijn figuren kenne geen Engels of legge in het hospitaal, terwijl die van Dos Passos "Him that's up there alayin in horspital" zeggen, of "Ain't there sumpen due me." Maar goed, ga daar maar eens aan staan.

In 1925 schreef Sinclair Lewis: "I regard Manhattan Transfer as more important than anything by Ger-trude Stein or Marcel Proust or even the great white boar, Mr. Joyce's Ulysses." Die uitspraak deed nogal wat stof opwaaien op de Parijse terrasjes. Het gerucht ging dat Joyce, die Lewis hoog had zitten, Manhattan Transfer niet wilde lezen, uit angst in Dos Passos zijn meerdere te moeten erkennen.

Hoe komt het dan dat Ulysses op alle literatuurlijsten als de absolute nummer één prijkt, terwijl Manhattan Transfer vaak niet eens wordt genoemd? Bij het herlezen van Dos Passos' meesterwerk heb ik me afgevraagd wie die lijsten dan wel samenstelt, want zowel stijltechnisch als qua engagement bevestigt het met gemak het oordeel dat D.H. Lawrence er 75 jaar geleden over velde. Het heeft niets van zijn kracht verloren en kan zelfs in actuele bewogenheid moeiteloos de vergelijking aan met alle shit and coke-literatuur van de laatste decennia. Of is het misschien zo dat het New York van het begin van deze eeuw zoveel interessanter en kleurrijker was dan het huidige, en dat de Grote Amerikaanse Droom ook wat literatuur betreft zijn beste tijd heeft gehad?

Dos Passos' meesterwerk is tot op de huidige dag het beste boek dat ooit over New York geschreven is.

Luc Huybrechts (12 januari 2000)

Manhattan Transfer, door John Dos Passos.
uit het Engels vertaald door Guido Golüke, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 400 p., 798 frank.

Een absolute klassieker heruitgegeven:

F. Scott Fitzgerald. 'De Grote Gatsby'

Bijna twintig jaar geleden besteedde ik al mijn reisgeld aan een cursus creative writing in Californië. De laatste dag zou Raymond Carver een lezing geven over het slot van de roman. We zaten in spanning te wachten. Carver kwam binnen, kuchte en las met die nasale, ritmische stem van hem de laatste paragraaf van The Great Gatsby voor. Zo, zei hij terwijl hij het boek sloot, zo moet een roman eindigen. Hoe dichter je dit benadert, hoe beter, voegde hij er nog aan toe. Daar konden wij, hongerige schrijvers in spe, het mee doen.

Volgens de blurb wordt De grote Gatsby in zowat alle tot nu toe gepubliceerde overzichten als het na Ulysses belangrijkste boek van de twintigste eeuw genoemd. In het toen door Carver, Cheevers en Spence opgestelde lijstje zaten Fiësta en Lolita daar nog tussenin. Maar ondertussen is Fitzgeralds klassieker, net als Hemingways Fiësta, in ons taalgebied totaal onterecht in de vergetelheid geraakt. Misschien kan de verzorgde heruitgave van Atlas dat verhelpen.

Scott Fitzgeralds naam is onlosmakelijk verbonden met de jaren twintig, die aan hem de naam 'The Jazz Age' hebben te danken. Het was een tijd van decadentie en economische expansie, waarin de Amerikaanse droom binnen ieders bereik leek te liggen. Fitzgerald (1896-1941) week, zoals de meeste van zijn collega's, uit naar het kunstminnende Parijs en maakte daar deel uit van de door Hemingway aangevoerde Lost Generation. Hij was de minst experimentele van die generatie en waarschijnlijk ook de minst intellectualistische. Hij dweepte met de Amerikaanse idealen en kwam daardoor vaak in aanvaring met de vrijgevochten artiesten van de Rive Gauche. Vooral Hemingway verwierp de decadente levensvisie van Scotty, die zich, onder druk van zijn vrouw Zelda, van zijn literaire vrienden zou afkeren. "Hij ziet eruit als een belegen jongen en hij gedraagt zich als een vrouw," schreef Hem over zijn ex-vriend. Achteraf bekeken past de inderdaad wat weke en weinig viriele figuur van Fitzgerald beter in ons huidige tijdsbeeld dan de macho Hemingway.

Zelda had overigens ook schrijversambities. En volgens de geschreven bronnen - die allemaal tot Hemingways entourage behoorden en dus niet van veel objectiviteit verdacht kunnen worden - was zij ziekelijk jaloers op Scotts succes. Ze werd na verschillende zenuwinzinkingen in een psychiatrische inrichting opgenomen. Fitzgerald beschreef een en ander met een bijna klinische accuratesse in het gevoelige Tender Is the Night (1934). Maar vijf jaar eerder al schreef hij met The Great Gatsby zijn absolute meesterwerk. Toen het boek in eerste instantie niet de verwachte lovende kritieken kreeg, rapporteerde Hemingway aan Gertrude Stein: "The Great Gatsby is in zijn eenvoud zo briljant dat de critici daar pas later achter zullen komen. Anders konden ze zelf boeken schrijven." Later vlakte hij die mening af en in A Moveable Feast zegt hij alleen nog: "Ik was er toen van overtuigd dat, als hij een goed boek als The Great Gatsby kon schrijven, er nog meer in hem moest zitten." Zoals bij de meeste recensenten was Hemingways kritiek onderhevig aan persoonlijke animositeiten.

In De grote Gatsby wordt de tragische ondergang beschreven van de dertigjarige Jay Gatsby, een mysterieuze magnaat, rijk geworden door dranksmokkel, die met zijn extravagante feestjes het middelpunt vormt van de high society van Long Island in de jaren twintig. Gatsby, die net als Fitzgerald eigenlijk een wat naïeve jongen is, heeft maar één doel in zijn leven: Daisy Fay voor zich te winnen. Daisy is een verwende southern belle waarmee hij voor de oorlog een kortstondige maar hevige relatie had. Het probleem is dat zij intussen getrouwd is. Maar haar huwelijk is niet gelukkig. Tom, haar echtgenoot, is een stinkend rijke en leeghoofdige sportman met een minnares, Myrtle Wilson, de vrouw van een berooide garagehouder.

Tussen beiden in staat Nick Carraway. Hij is de verteller en een soort ongecorrumpeerde dubbelganger van Jay Gatsby. Hij komt, net als Gatsby, uit het westen en is naar de oostkust gekomen om er zich te vestigen als makelaar in effecten. Carraway blijft echter bescheiden en op de achtergrond, en is eerder de observator die zich liever niet mengt in de mondaine wereld. Hij vertegenwoordigt de andere kant van Fitzgeralds karakter (zoals Fitzgerald Joyce op een Parijs terras toevertrouwde: "Een schrijver is een hele hoop mensen die heel erg zijn best doet om één persoon te worden").

Via Carraway, die een neef van Daisy is, slaagt Gatsby erin om weer in contact met haar te komen. Omdat zijn feestjes haar niet interesseren, houdt hij er onmiddellijk mee op, ontslaat zijn volledige staf en verandert compleet van levensstijl. Daisy komt nu dagelijks naar zijn villa en Gatsby leeft in een roes. De climax komt op een broeierige dag als echtgenoot Tom en Gatsby met elkaar geconfronteerd worden. Tom speelt de geslagen hond en stuurt Daisy en Jay weg. Gatsby laat de opgewonden Daisy achter het stuur plaatsnemen in de hoop dat dat haar gedachten zal afleiden. Maar totaal overstuur rijdt Daisy Toms maîtresse Myrtle dood, die zich bijna voor de auto werpt omdat ze denkt dat haar geliefde erin zit. Daisy rijdt na het ongeluk door. Gatsby wordt door iedereen als de boosdoener aangezien. Alleen Nick vertrouwt hij toe dat Daisy chauffeerde.

De volgende dag wordt Jay Gatsby dood in zijn zwembad aangetroffen. Neergeschoten. In zijn buurt ligt ook het lijk van de garagehouder, die achteraf zelfmoord heeft gepleegd. Tom had hem tegen Gatsby opgezet. Op de begrafenis laat zelfs Daisy het afweten. Nick Carraway is alleen met Gatsby's vader, die toch trots is dat zijn zoon, een gewone jongen uit het westen, het zo ver heeft kunnen brengen.

In de eenvoud van de vader en de hautaine ongevoeligheid van Gatsby's society-vrienden schuilt de confrontatie tussen de waarden en normen van het onontwikkelde, onbedorven westen en het ontwikkelde en daardoor corrupte oosten, een thematiek die Amerikaanse schrijvers door de eeuwen heen heeft beziggehouden. Fitzgerald snijdt met hetzelfde idealistische mes als Cooper en Twain en zelfs als Henry James, die er Engeland bij betrok.

Uit de vertaling van Susan Janssen - die trouwens uit 1985 stamt - blijkt vooral hoe moeilijk het is om de sfeer van Fitzgeralds ascetische taal te vatten. Maar dat kun je haar nauwelijks verwijten. Het luie maar plastische Amerikaans van de roaring twenties is nu eenmaal moeilijk in ons strenge Nederlands om te zetten. De beklijvende beginzin bijvoorbeeld, die me is bijgebleven vanaf de eerste keer dat ik het boek las, met het beeldende "advice that I've been turning around in my mind ever since" wordt nogal gewoontjes: "een raad waarover ik sindsdien ben blijven nadenken". Of: "The lights grow brighter as the earth lurches away from the sun", vertaald als "De lichtjes worden heller naarmate de aarde verder van de zon wegwentelt". Tja. Maar sommige passages zijn dan weer zo sterk dat ze ook in vertaling makkelijk standhouden. Als voorbeeld daarvan het magistrale einde:

"Gatsby geloofde in het groene licht, de orgiastische toekomst die jaar na jaar voor onze ogen terugwijkt. Ze ontglipte ons toen, maar dat doet er niet toe - morgen zullen we harder lopen, onze armen verder uitstrekken... En op een mooie dag -

"En zo varen we voort, schepen tegen de stroom op, onophoudelijk teruggevoerd naar het verleden."

Zo moet volgens Raymond Carver een roman dus eindigen. Ik sluit me daar bij aan. Meer moet het echt niet zijn.

Luc Huybrechts (20 oktober 1999)

De grote Gatsby, door F. Scott Fitzgerald.
Uit het Engels vertaald door Susan Janssen, Atlas, Amsterdam/ Antwerpen, 192 p., 600 frank.

Het 'definitief allerlaatste' boek van Ernest Hemingway (1899-1961)

True at First Light

Op 21 juli was het precies honderd jaar geleden dat de bekendste Amerikaanse schrijver van deze eeuw, Ernest Miller Hemingway, geboren werd. Om die datum extra luister bij te zetten lieten zijn erfgenamen een nieuw boek verschijnen, 38 jaar na het overlijden van Papa. True at First Light wordt aangekondigd als zijn definitief allerlaatste roman. Maar helemaal zeker is dat niet. Aan Hemingways nalatenschap is al goed geld verdiend.

In een brief aan zijn uitgever schrijft Ernest Hemingway: "Ik wil herinnerd worden als een schrijver, niet als een jager, dronkaard of vechter. Ik heb tijdens mijn leven meer tijd besteed aan schrijven dan aan al die andere dingen samen, en het is ook het enige waarin ik echt uitblink." Een moeilijke opgave voor iemand die zijn eigen macho-mythe creëerde.

Dat Hemingway de beroemdste naam uit de Amerikaanse literatuur is geworden, heeft hij vooral aan zichzelf te danken. Hij was de dominerende figuur van de befaamde Lost Generation, de generatie Amerikanen die zich, gepatroneerd door Gertrude Stein, tussen de twee wereldoorlogen in Parijs aan drank en literatuur te buiten gingen, nam in allerlei hoedanigheden deel aan de oorlogen van zijn tijd en bouwde een reputatie op als bokser, visser, jager op groot wild en beroepsdrinker. Nooit eerder was een schrijver nog tijdens zijn leven zo'n internationale legende. En je op een gewelddadige manier het leven benemen helpt ook niet om mythevorming tegen te gaan - maar toen was de schrijver al lang het fenomeen Hemingway geworden. In het jaar van zijn dood, 1961, gaven de Cubaanse autoriteiten Mary Welsh, Ernests laatste vrouw, de toelating om in Havana achtergebleven manuscripten mee naar huis te nemen. Uit die schrifturen werden onder andere A Moveable Feast (1964), een in dagboekvorm geschreven verslag van de vroege Parijse jaren, en de roman Islands in the Stream (1970) gepuurd. Vooral dat laatste, introspectieve boek wordt als een hoogtepunt in Hemingways oeuvre beschouwd. En dat wil toch wat zeggen voor iemand die volgens Raymond Carver een van 's wereld beste novellen (The Old Man and the Sea), romans (The Sun also Rises) en korte verhalen (The Snows of Kilimanjaro en A Big Two-Hearted River) schreef.

Maar daarna werd het schrapen. In het begin van de jaren tachtig kwamen de erfgenamen eerst met de zoveelste stierenbundel, The Dangerous Summer, en vervolgens, vrij onverwacht, met The Garden of Eden (1986), een volledig nieuwe roman: een wat stroperig relaas van een stel op huwelijksreis, doorspekt met een aantal duidelijk autobiografische elementen die het geheel interessant moesten maken. Voor Hemingway-aficionados was het een afknapper. De vraag rees in hoeverre de auteur zelf achter publicatie zou hebben gestaan.

In de laatste twintig jaar van zijn leven publiceerde Hemingway zelf maar twee werken: de melodramatische zelfparodie Across the River and into the Trees (1950) en het korte maar meesterlijke The Old Man and the Sea (1954). Hij schreef gemiddeld zeven uur per dag, maar verklaarde gelukkiger te zijn met één goede zin dan met vijftig halfbakken bladzijden waar nog aan gewerkt moest worden. Bekend is het verhaal over het slot van A Farewell to Arms (1929), dat hij zeker veertig keer herschreef. Toen een interviewer hem vroeg of er dan een technisch probleem was, antwoordde hij: "Yes, getting the words right." Hemingway vergeleek schrijven met boren in harde rots: af en toe springt er, eerder per ongeluk, een goed stuk af. De goede stukken heeft hij zelf verwerkt, de rest veilig weggeborgen. Zijn erfgenamen hebben die wel gebruikt. Misbruikt, volgens sommigen.

Toen bekend raakte dat ter ere van een eeuw Hemingway een nieuw boek van hem zou verschijnen, werd het ergste gevreesd. Maar True at First Light is als reisverslag en autobiografie te boeiend om de liefhebber onberoerd te laten. De titel lijkt eerst een nogal banale woordspeling, maar wordt onmiddellijk uitgelegd. In Afrika zijn de dingen alleen echt bij het eerste ochtendlicht en worden ze een leugen tegen de middag aan. Vanaf het moment dat de zon hoog aan de hemel staat, verzengt haar licht je gezichts- en bevattingsvermogen en weet je nooit zeker of het meer waar je naar kijkt geen uitgedroogde zoutvlakte is. Waarschijnlijk staat de titel ook symbolisch voor Hemingways uitgesproken angst voor ouderdom en verval.

Hoewel Patrick Hemingway, de tweede zoon van Papa en bezorger van het boek, True at First Light een 'fictieve herinnering' noemt, is het een extract uit een verslag van de Keniaanse safari die Ernest in 1953 met Mary maakte. Patrick legt niet uit op welke manier hij uit het enorme manuscript de zogeheten roman heeft gedistilleerd en vertelt er ook niet bij dat een groot deel van dit materiaal bijna dertig jaar eerder was gebruikt voor een reportage in Sports Illustrated Magazine, onder de titel African Journal. Toch moet gezegd dat hij erin geslaagd is om uit de achthonderd bladzijden die het origineel bevatte een vrij coherent geheel te puren.

In dit geromantiseerde reisverslag staat de relatie tussen de ik- figuur en zijn vrouwen centraal staat. Miss Mary (die nogal onverbloemd Mary Welsh moet voorstellen) heeft het in haar hoofd gehaald dat ze een leeuw met zwarte manen moet schieten, en vergeet daardoor op haar man te letten, die zich helemaal laat gaan, zijn haar afscheert, en zich met speer in de hand vergrijpt aan een lokale schoonheid, die hij zijn 'verloofde' noemt en als tweede vrouw wil nemen. In het begin van het boek krijgen we nog een extra spanningsveld: de ik-figuur heeft de verantwoordelijkheid over een opzichterskamp dat wordt bedreigd door een wraakzuchtige rebellengroep. Maar het komt nooit tot een confrontatie. Verder wordt True at First Light gedragen door dezelfde thema's als de andere Afrika-verhalen: jagerstips, flashbacks naar de Parijse jaren, het Afrikaanse landschap en het gevecht met de dood.

Een meesterwerk is deze laatste Hemingway niet. Daarvoor mist het de superieure techniek van Fiesta of For Whom the Bell Tolls, of de gedrevenheid van A Farewell to Arms, daarvoor is het af en toe te duidelijk een door derden in elkaar gezette lappendeken. Al dient gezegd dat dit patchwork Patrick veel beter gelukt is dan de redacteurs van uitgeverij Scribner destijds met The Garden of Eden.

De meester van de eenvoud, zoals Márquez Hemingway ooit noemde, blijft af en toe zwaar in gebreke. De vraag is of je hem daar persoonlijk verantwoordelijk voor kunt stellen. Van de eerste zin - "Things were not too simple in this safari because things had changed..." - kun je je al afvragen of hij van de meesterstilist zelf is. Die ostentatieve herhaling van 'things' lijkt pure slordigheid. En zo zijn er veel voorbeelden. Een passage enkele pagina's verder, als hij in een paar zinnen zonder interpunctie het ochtendhumeur van zijn vriend vat, is dan weer zo Hemingwayaans dat kenners hun vingers erbij kunnen aflikken: "He woke sullen and not at all my bloodbrother and I remembered that he never smiled before the sun was up and sometimes it took him longer to get rid of wherever he had been when he was asleep." Ook in terloopse beschrijvingen toont zich dikwijls de pen van de meester, zoals deze, over een lang verwacht, landend vliegtuig: "her nose high and arrogant, throwing dust in the knee-deep white flowers".

Daartegenover staat dat de dialogen vaak zwak en lang uitgesponnen zijn. Vooral het eindeloze geëmmer tussen de hoofdfiguur en Miss Mary wordt op den duur ronduit vervelend. Ze gaan veelal over de leeuw die zij achterna zit, en ze moeten waarschijnlijk mee de thematiek van het boek vormen, maar als lezer ga je na een paar hoofdstukken hopen dat ze dat beest nu maar snel vindt en er korte metten mee maakt.

De dramatiek van het boek gaat dieper dan het nogal doorzichtige macho- gedoe van de Hemingway op latere leeftijd. Een goede verstaander heeft niet veel woorden nodig. En in weinig woorden gebruiken was Hemingway een grootmeester. Als hij zegt dat liefde een verschrikkelijk ding is dat je je buur niet zou toewensen, of als hij het zo mooi vindt dat de Masaï geen woorden hebben om zich te verontschuldigen, beschrijft Hemingway zijn eigen onhandigheid in relaties en sociale contacten.

Ook zijn rauwe, typische humor moet je zo begrijpen. Ik verwijs even naar twee van zijn bekendste Parijse uitspraken: als Scott Fitzgerald op een overvol terras weer eens hoog van de toren blaast over zijn connecties met de miljonairs van de rechteroever en zich tot de schampere Hemingway richt met de woorden: "Let me tell you about the very rich. They are very different from you and I", antwoordt die: "Yes, they have more money." Een andere uitlating, die hij later in Fiesta (en Jay McInerny als motto voor zijn bestseller Bright Lights, Big City) gebruikte: "'How did you go bankrupt?' Bill asked. 'Two ways,' Mike said. 'Gradually and then suddenly.'" Het is de humor van de antiheld, van de Humphrey Bogart in Casablanca: de cynicus die zijn kleine hartje probeert te verbergen.

Ook in True At First Light laat hij zich af en toe zo gaan: "'Isn't bed a lovely place?' 'Bed is our Fatherland.' 'Who said that?' 'Me,' I said proudly. 'It's more impressive in German.' 'Isn't it nice we don't have to talk German?' 'Yes,' I said. 'Especially since we can't.'" Je moet ervan houden, maar dit is Hemingway-humor op zijn best.

Mary Welsh heeft zich Papa Hemingway na zijn dood helemaal toegeëigend, zoals weduwen wel vaker doen. Ze probeerde het zo voor te stellen alsof zij tot het einde toe een hechte relatie hadden gehad, maar dat was bepaald niet zo. Hemingway was serieel monogaam. Als hij verliefd werd op een andere vrouw liet hij de eerste in de steek. Het is dan ook niet zo vanzelfsprekend om zijn verhouding met de inlandse schone Debba als een akkefietje te omschrijven, zoals in nogal wat door Welsh geïnspireerde biografieën gebeurt.

Waarschijnlijk is de Afrikareis een veel grotere hel geweest dan de verteller (Ernest-Patrick) hier durft te beschrijven. Wat dat betreft lijkt de briljante vertelling van The Snows of the Kilimanjaro, die hij twintig jaar eerder schreef, een beangstigende self-fulfilling prophecy: de levensmoeë man die zich gevangen voelt in een niet meer inspirerende relatie en alleen troost vindt in drank en het Afrikaanse exotisme. "As I walked forward I did not think about anything at all except that I was lucky to be in Africa." In het voorwoord verontschuldigt Patrick zich zelfs halfslachtig tegenover Mary voor het belang dat in zijn bewerking de figuur van het meisje Debba krijgt, die hij haar donkere tegenpool noemt.

Ernest Hemingway treft het niet dat hij net in deze tijd van politiek- correctheid, waarin men paardenfluisteraars hoger schat dan stierenvechters, zijn honderdste verjaardag moet vieren. Alleen in de Verenigde Staten en - vooral - op Cuba wordt hij nog als nationale held geëerd.

Maar genieën overleven gewoonlijk de tijdgeest. In elk geval heeft Papa Hem door zijn mannelijke sensitiviteit en zijn taalascese een enorme invloed gehad op de literatuur van deze eeuw. En zoals Keith Spence het stelde: "Hemingway schreef over dingen die mij niet interesseren: oorlog, stierenvechten, jagen en vissen, maar hij deed het wel onvoorstelbaar goed."

Luc Huybrechts (23 juli 1999)

True at First Light, door Ernest Hemingway
Heinemann, Londen, 312 p., ca. 1.220 frank.
De Nederlandse vertaling, De waarheid in het ochtendlicht, verschijnt in september.